logo

Fabel
Hoofdrolspelers: De waard, alias de minister van financiën
De haan, alias een burger
De adelaar, alias een bankdirecteur.

Lang geleden werkten de haan en de adelaar eendrachtig samen in een soort poldermodel. Ze hadden vriendschap gesloten en hielpen elkaar over en weer. Ze vertelden elkaar verhalen, maakten veel plezier en zo verdreven ze de tijd. Op een gegeven moment begonnen ze zich te vervelen, ze wilden allebei iets nieuws beleven. Op een zwoele zomeravond zaten ze gapend van verveling naar de wereld draait door te kijken, toen de adelaar een idee kreeg. Hij rekte zijn hals en riep: weet je wat haan, we gaan een keer naar de herberg om een borrel te drinken. De dorpsherberg lag in het centrum van Den Haag. De haan kwam overeind, zette zijn veren overeind en zei dat hij het een prima idee vond. Ze maakten zich direct op om te vertrekken en begaven zich naar het dorp. Voorzichtig streken ze neer voor de herberg en gluurden naar binnen. Op een gunstig moment glipten ze de gelagkamer binnen en bestelden een kan van de beste brandewijn. De waard verbaasde zich een beetje over de twee ongewone gasten, maar hij bracht hun toch het gewenste en schonk in.

Al snel zonk de brandewijn hen in de poten en toen ze wilden opstaan moesten ze zich aan de tafel en de bank vast houden. Ze wankelden de deur uit en wilden naar huis vliegen, maar de waard pakte de beide vrienden in hun kraag. Eerst betalen en dan pas naar huis, zei de waard. Wat nu? Ze hadden er niet aan gedacht om geld mee te nemen en hadden geen stuiver op zak. Beteuterd en bedremmeld probeerden ze de waard wat milder te stemmen, hem te overreden hen uitstel van betaling te geven.

De waard, die het gevederde tweetal nooit eerder in zijn herberg gezien had, was echter wantrouwig en dreigde hen op te sluiten tot ze de rekening betaald hadden. De adelaar, die iets minder dronken was dan de haan, begreep direct dat een verblijf achter de tralies van een cel een verschrikkelijke ervaring moest zijn, dus besloot hij in elk geval zijn leven en reputatie te redden. Schijnheilig stelde hij daarom voor: goed, ik vlieg naar huis en haal het geld. De haan is niet meer zo vast ter been dus hij blijft wachten tot ik terugkom. De haan, die barstende hoofdpijn had, kon niets tegen het voorstel inbrengen en werd dus als onderpand vastgehouden en in een cel opgesloten. Daar sloeg de angst hem toch wel om het hart, hij riep de wegvliegende adelaar na: schiet een beetje op, ik wil niet zo lang in deze cel zitten. Maak je niet bezorgd, riep de adelaar, ik ben zo terug. Zijn vleugels voelden loodzwaar, maar toch slaagde de adelaar er in nog voor de nacht veilig zijn nest te bereiken. Zo, het belangrijkste is dat tenminste één van ons tweeën is gered, zo suste hij zijn kwade geweten.

De haan wachtte de hele nachten speurde van achter de tralies de hemel af, maar de adelaar was in geen velden of wegen te bekennen. Hij wachtte dagen en wekenlang en hij begreep dat zijn vriend hem in de steek had gelaten. De waard deed de haan een voorstel, in het kader van de werkgelegenheid moest de haan een baan onder zijn niveau accepteren. Van het salaris dat de haan verdiende moest hij maandelijks een gedeelte afstaan om op die manier de schuld af te lossen. Van de adelaar is nooit meer iets vernomen, sommigen meenden hem in Zwitserland te hebben gezien.

Moraal: de burger moet altijd het gelag betalen

Leo Niessen