logo

De eerste keer dat ik in Wilnis viste was in 1972. Het was ook de eerste keer dat ik met de vlieg ging vissen. Dat is al weer 33 jaar geleden, besef ik nu. Ik ging met mijn achterbuurman mee, die viste er regelmatig, met de vlieg. Ik had geoefend met mijn hengeltje bij Henk Peeters op de Prins Hendrikkade, voor het Centraal Station in Amsterdam.

vliegvissen in de polderIk was geen beste leerling, gewend als ik was met de spinhengel te vissen. De voorwaartse worp was te krachtig, en de achterwaartse een ramp. Maar met red tags gewapend gingen we de polder in, ergens langs de Gagelweg. Met veel moeite kreeg ik de vlieg in een smalle begroeide sloot en tot mijn stomme verbazing verdween ze in een kratertje in het water. Met enige moeite wist ik de lijn te strekken en een zware vis keerde zijn gouden flanken naar me toe. Een joekel! Hij was echt 32,5 cm lang, mijn eerste vis met de vlieg gevangen! Het heeft vele jaren geduurd voor ik een grotere gevangen had. Ja, ja vroeger, toen vingen we achter elkaar veertigers. Mooie verhalen, die maar heel weinig relatie met de waarheid hebben. Maar een verhaal hoeft niet waar te zijn, als het maar goed verteld wordt, vind ik. Mijn enthousiasme kon niet meer stuk. Heel regelmatig viste ik in Wilnis en ving vis. Grote en kleine, ruisvoorn en blankvoorn. Alleen in de zomer, want in de winter viste je niet met de vlieg. Eind oktober ging de vliegenhengel in de kast om er op de openingsdag van het nieuwe seizoen weer uit te komen: 1 juni.

We visten uitsluitend met droge vliegen, nimfvissen was iets nieuws, voor de cracks, want die konden zien dat de vis onder water een vliegje pakte. En de nimfen waren ook nog mysteries, in Amerika deden ze onderzoek naar insecten die onder water leefden. En die imiteerden ze dan. Dus kocht ik in Londen en New York boeken als mijn baas weer vond dat ik daar moest zijn, las ze, bestudeerde ze, en ik bond nimfen en probeerde ze uit. Ik zocht contact met het R.I.N. (Rijksinstituut voor Natuurbehoud) en werd op weg geholpen met literatuur over het Nederlandse onderwater gekriebel. Ik maakte een groot watervlooiennet en viste de sloten en weteringen af, op zoek naar voorbeelden voor mijn nimfen. En ik ving vis, steeds meer vis, heel veel vis. Groot en klein, maar meestal vis tussen de 15 en 25 cm lang. Dertigers waren uitzonderingen, veertigers heb ik nog nooit gevangen. Ik verdenk daarom velen dat ze met aangepaste meetlatjes werken, zoals ook velen met afgeknipte vliegenlijnen 'de hele lijn er uit gooien'. Als een verhaal maar goed verteld wordt! Gewoon de kift, moet je maar denken.

En ik vis na meer dan 30 jaar nog in Wilnis. Afgelopen vrijdag nog, langs de Korenmolenweg. De wind was oost en uit de bomen waaiden de haarmuggen. De kokerjuffers vlogen uit, met af en toe wat eendagsvliegen. Met de nimf ving ik alleen vis als ze net was gewaterd (geland is geen goed woord hier), dus verving ik die door een droge vlieg. In 300 meter ving ik vis, weer veel vis, ruisvoorn en blankvoorn, tussen de 12 en 25 cm, prachtig brons gekleurd en bijna elke worp leverde een reactie op. Heerlijk.

Twee weken daarvoor was ik daar ook. Toen ving ik achter elkaar vis met de wants: ook een nimfje. Niet te diep, want er staat daar niet meer dan 40, 50 cm water. Er kwam nog iemand vliegvissen, maar die ving niets. Zeker weer met zo'n goudkopje in de weer. Veel te zwaar voor dit ondiepe water. Na een half uur was hij weer vertrokken. Niets gevangen. Aan de andere kant verscheen er nog één. Ook die was na een half uur weg. Ook niets gevangen. 'Er zit geen vis meer in de polder' moeten ze gedacht hebben. Niet elke 'ongelofelijke altijd-alles-vanger' (het goudkopje) vangt altijd, dus even iets anders proberen helpt misschien.

Van de winter zocht ik zo'n overwinteringsplekje op, vlak bij een boerderij. In een sloot waar je in de zomer nauwelijks een voorntje kunt vangen. In nog geen honderd meter viste ik me warm. Veertig, vijftig voorns in een paar uur. De meeste vissen tussen de 15 en 25 cm lang. Met een drietje en een lichte goudkop red tag.

Toch hoor ik weinig anders dan klaagzangen. De ruisvoorn is verdwenen, je vangt er geen grote voorns meer, het is afgelopen met de vis in Wilnis. Maar je vangt er wel veel snoek en die blijft niet leven als er geen voorns meer zijn, echt niet.

En is dat scoren dan zo belangrijk? In de Bovenlanden liggen prachtige putjes, waar de ruisvoorns van boven de dertig zwemmen. Weg van de wegen, tussen de lisdodden en het riet, spathelder water, de kringen en boeggolfjes tekenen de plekken waar de vis zwemt. Ze zijn bijna niet te vangen, die grote. Die zijn meer dan tien jaar oud en weet ik hoe vaak al aan de vlieg gevangen. Die trappen er niet meer in, of bijna niet meer, misschien nog met hele lange leaders en heel dunne puntjes. Want de lijn over het water levert al een schrikreactie op. Of in tot twee meter diep water met grote, verzwaarde nimfen. Want daar vangen de karperaars ze met de maiskorrel, en sommige vliegvissers ook. De vier dertigplussers die ik een tijd terug in een bijna verland hoekje vond en die mijn vliegje wel wilden pakken, maakte niet alleen mijn dag, maar een heel seizoen goed. Mooier dan een bonefish of een grote vlagzalm. Want de stress is weg, je hoeft geen dure reis 'goed te maken', of een visgids te laten zien dat je wel kunt vliegvissen. Er hoeft helemaal niets en toch klopt je hart in je keel als je die gouden reuzen ziet zwemmen. Net als bij de snoek die in de winter met zo'n onwijze dreun op je streamer klapt. Elke middag dat ik er in de winter ben toch minstens drie, vier keer! Hoewel, een selectief geheugen helpt ook.

Na al die jaren klopt mijn hart telkens een slagje sneller als ik mijn achterklep sluit en naar het hek loop van het weiland. Daar klim ik overheen en lopend door het weiland speur ik de sloten af naar tekens van vis. En de weilanden intrekken kan bijna alleen maar in Wilnis. In de rest van het land vis je meestal in de sloten langs de weg. Met fietsers, auto's en wandelaars achter je, die je voortdurend in de gaten moet houden. In Wilnis hoef je alleen maar op te letten of er geen stier tussen de koeien loopt.

In die 33 jaar is er wel wat veranderd, peilverlagingen, vertrokken boeren, in het voorjaar drie maand lang niet in een deel van de weilanden vissen (*zie onderschrift), dammen en nieuwe bruggen, dijkdoorbraken en wateromleidingen, nieuw water en ook ik ben veranderd! Een stuk ouder geworden en lang niet meer zo vreselijk fanatiek geconcentreerd. Een stuk meer ontspannen, maar nog steeds zwemt de vis in de polder. En telkens weer moet ik er heen, even mijn ding doen: een lijntje werpen naar een kring of kantelende flits en even weer die spanning: doet ie het of doet ie het niet? En voortdurend de verbazing over de visdiefjes, de smienten, de ganzen, de wegspurtende haas, de dansende eendagsvliegen, de Maartse haarmuggen, de elzenvliegen, de kattenstaarten en de gele lissen, en al het andere moois wat dat stukje wateroerwoud voortbrengt. En maar hopen dat ik er nog een tijdje van mag genieten!

Met groet van Paul Blokdijk.

 

Naschrift Redactie:
Vanaf medio maart tot medio juni mag er in het water van Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en Stichting De Bovenlanden niet gevist worden. De weilanden van de overige eigenaren, en dat zijn er vele (!) zijn vanaf de tweede week april tot medio mei (dus slechts 5 weken) gesloten gebied. Heel veel water, ook de door Paul beschreven Korenmolenweg, is het gehele jaar bevisbaar! Raadpleeg hiervoor uw vergunning en waterkaart.